Veel animo bij telers voor maagdelijke uiengronden

Traditioneel lag het zwaartepunt van de uienteelt in Nederland in de Zeeuwse polders. Maar de laatste tien à vijftien jaar verschuift dit gestaag naar het oosten. En het gaat hard. Hein Molenkamp van Hazera Seeds weet waarom. “Onze nieuwe uienrassen blijken uitermate geschikt voor bijvoorbeeld de kleigronden van Groningen, Friesland en de zandgebieden van Drenthe. Maar ook in Oost-Brabant en Limburg doen ze het goed. De boeren en verwerkers weten dat het harde uien zijn, met een goede huidvastheid. Ze kunnen vroeg geoogst worden en ze zijn uitermate geschikt voor transport. Dan heb ik het onder andere over de Fasto en de Vento, maar er zijn meer rassen. Ze zijn bovendien lang houdbaar en zeer geschikt voor verre bestemmingen.”

Als Hein Molenkamp (63), zelf afkomstig uit een tuindersgezin, eenmaal over uien begint te praten dan is hij moeilijk te stoppen. Eigenlijk is spruitkool zijn persoonlijke favoriet, maar hij is ook gespecialiseerd in uien. “Specialisatie is tegenwoordig belangrijk. Bij Hazera Seeds zijn wij al vroeg gestart met het zoeken naar rassen die bestand zijn tegen bepaalde ziektes en plagen. Onze veredelaars hebben daarmee succes geboekt, vooral met de gevreesde meeldauw. Ze hebben rassen weten te ontwikkelen die bestand zijn tegen deze plaag.” Hein Molenkamp moet lachen: “Weet je, vroeger was het woord ‘zandui’ een benaming voor een inferieur product. Maar die tijd is voorbij.”

Voordelen nieuwe gebieden
Hein Molenkamp wil vooraf duidelijk stellen dat hij absoluut geen promotie wil maken voor een bepaald gebied. Hij constateert slechts de actuele ontwikkelingen. De verschillen tussen het noorden, oosten en zuiden van Nederland ten opzichten van Zeeland zijn legio, aldus de vertegenwoordiger van Hazera Seeds. “Om te beginnen is het water er zoet en niet brak, zoals in Zeeland. Aan de kust is beregenen vanuit de sloot moeilijk, want uien houden niet van zout. Ze zijn dus afhankelijk van regen. Maar met de klimaatschommelingen van de laatste jaren is dat lastig aan het worden. In de nieuwe gebieden kunnen de telers met beregening wel goed de droogte te lijf. Ander pluspunt is dat er in de nieuwe gebieden weinig ziektes zijn. De grond is nog maagdelijk. Als je dan ook nog onze nieuwe rassen gebruikt, geeft je dat een hoog netto rendement qua kilogrammen bij aflevering. Iedere teler weet hoe belangrijk het is om gezonde, goed doorgroeiende planten op de akker te hebben, want die zijn gewoon minder vatbaar voor bladvlekkenziektes en insecten. Dus als er eens iets is, dan is het beheersbaar. Meestal heb je dan minder gewasbeschermingsmiddelen nodig en ze werken beter. Dat is altijd goed”, aldus Hein Molenkamp.

Flexibiliteit en continuïteit
Uien die vroeg gezaaid en geoogst kunnen worden brengen voordeel voor zowel de teler als de verwerker. “Je creëert flexibiliteit en meer continuïteit. Je kunt verschillende teelten beter op elkaar laten aansluiten. Zo kunnen de telers in zeg maar Limburg en Oost-Brabant eerder oogsten. Daarna schuift de oogst langzaam op naar het noorden. De bedrijven in Zuid-Nederland kunnen eerst de vroege plantuien doen, daarna de late plantuien en dan de zogeheten Rijnsburgers, dat is een vakterm voor de lang houdbare soorten; harde uien met een goede huidvastheid. Je kunt het logistieke systeem er beter op laten inspelen. Je ziet ook dat in de nieuwe gebieden geïnvesteerd wordt in bewaarschuren. Mede door onze nieuwe rassen kan goed aan de continue vraag uit het buitenland voldaan worden. Voor de export is dat heel belangrijk.”

Ook biologisch
Hein Molenkamp is ook enthousiast over de mogelijkheden die de nieuwe producten bieden om biologisch te telen. “Je ziet een groeiende vraag naar biologisch. Ons uienras Santero, met valse-meeldauwresistentie, wordt daarvoor gebruikt. Binnenkort zal er nog een ras komen met valse-meeldauwresistentie. Verder wordt er gewerkt aan fusarium-resistentie. Voor telers wordt het dus steeds aantrekkelijker om over te stappen naar biologisch.”

De teeltverschuiving naar de nieuwe gebieden heeft niet alleen met de nieuwe uienrassen te maken. Klimaatverandering speelt eveneens een rol en Hein Molenkamp steekt dat niet onder stoelen of banken. “Ik zei al dat beregenen met slootwater in Zeeland moeilijk is vanwege het zoutgehalte. Daar is geen oplossing voor. De nieuwe gebieden kennen dat probleem niet. Dit jaar is het extreem droog en we zien die tendens al een tijdje. Maar het kan ook weer gigantisch gaan hozen. Op de zandgebieden verdwijnt het regenwater sneller. Dat is ook een voordeel voor de telers met hun zware machines. Op deze gronden kan men al gauw weer rooien na een fikse regenbui.”

Bewijs
Het bewijs voor Hein Molenkamps verhaal is in de statistieken terug te vinden. Hij somt op: “In Emmen heeft tussen de jaren 2011 en 2017 een flinke uitbreiding van het areaal uien plaatsgevonden. Het is gegroeid van twee naar achttien bedrijven. Dat is maar liefst achthonderd procent. Kijken we naar het aantal hectaren uien bij Emmen, dan is dat toegenomen van 19 ha in 2011 naar 317 ha in 2017. Er zijn meer voorbeelden te noemen, maar dit illustreert al duidelijk hoe het gaat. In Zeeland zie je ook minder opvolging in de boerenbedrijven, terwijl in het oosten van het land er vaker jonge mensen beginnen. Als vertegenwoordiger bezoek ik de telers regelmatig. We geven als Hazera Seeds tips en adviezen en nemen feedback mee terug naar onze veredelaars. Zo blijven we verbeteren, met als resultaat dat de boeren enthousiast zijn over onze producten.”

Tijdens de open dagen van Hazera in september kan kennisgemaakt worden met de verschillende uienrassen.